Elektrisch speelgoed

Binnen deze activiteit gaan de kinderen aan de slag met vrije exploratie via een onderzoekdoos. Onder begeleiding van de leraar ontdekken ze enkele kenmerken van de stroomkring. Daarna proberen ze zelf hun speelgoed te optimaliseren. 

Voor sommige van de activiteiten binnen dit STEM project zijn wel enkele specifieke materialen nodig. Neem best een kijkje bij de materialenlijst voor verdere info.

Attributie: foto's en picto's www.flaticon.com en www.freepik.com

Context en probleemstelling

Een aantal zaken uit de belevingswereld van de kinderen kan tot het thema elektriciteit leiden.
We denken aan een elektrisch stuk speelgoed in de klas dat het niet meer doet.
(Je kan natuurlijk ook zelf de batterijen uithalen en kijken hoe de kinderen reageren)
Ook het uithangen van kerstlichtjes kan interesse of verwondering opwekken.
Soms kan het krijgen van een statisch schokje of spelen met statische elektriciteit een aanleiding vormen.
Tip: https://www.technopolis.be/nl/proefjes/aantrekkelijk-papier/


 

Achtergrondinformatie voor de leerkracht

Onderstaand wat informatie om misconcepten te vermijden. 
Deze is vooral bedoeld om als leerkracht de juiste verbanden te leggen en de juiste woordenschat te hanteren.

Gelijkstroom: de stroom loopt van de pluspool naar minpool. (batterij)
let op: de ‘elektronenstroom’ is eigenlijk van min naar plus.

Wisselstroom de stroom wisselt voortdurend van richting. (stopcontact)
info: hoe vaak de richting wisselt heet Hertz. Dit is 50 keer in België. 

Accu: een oplaadbare batterij.

Er is ook een verband met magnetisme.
Een elektromagneet zet elektriciteit om in magnetisch veld via een spoel.
De spoel (gewikkelde koperdraad) zorgt er dan weer voor dat een as gaat draaien.
Deze elektromagneet zit dus bijvoorbeeld in bewegend speelgoed.

statisch

Bron: https://go.screenpal.com/watch/cbe2b96An0

Statische elektriciteit ontstaat door twee materialen tegen elkaar te wrijven. Als je bijvoorbeeld een ballon tegen een wollen trui of haren wrijft geeft hij zijn positief geladen deeltjes af. Daardoor is de ballon positief geladen en wordt hij aangetrokken door materialen (haar, water) waar zowel negatieve als positieve deeltjes aanwezig zijn. Als je wrijft tegen twee ballonnen worden ze allebei positief en stoten ze elkaar weer af. 

Denk ook zelf even na over het thema. Wat zullen mogelijke zaken zijn waar kleuters op stuiten tijdens hun onderzoek? Welke woordenschat baken je zelf af? Wat vragen de oudere kinderen zich af?
Misschien herkennen ze een letter? 
    Wat betekent Li-on, CR, AA of Lithium?
- Waarom hebben sommige stekkers een gat en andere enkel 2 pinnen?
- Hoe werkt een batterij eigenlijk?
- Hoe is de bouw van een toestel / batterij aan veiligheid gekoppeld?
   (Vb. De chemische reacties, aardingspin, …)

De vragen kunnen zeer gevarieerd zijn. 
Soms zal je zelf het antwoord niet weten en moeten opzoeken.
Vrije exploratie roept heel gevarieerde vragen op.

 

 

 

1. Minimumdoelen kleuter

Wetenschap en techniek : eigenschappen van materie

3.4.1 De kleuters kunnen materie sorteren op basis van waarneembare eigenschappen.

Wetenschap en techniek : natuurkundige verschijnselen

3.5.1 De kleuters kennen de volgende begrippen met betrekking tot natuurkundige verschijnselen: het stopcontact, de batterij.

Wetenschap en techniek: systematische en methodische benadering van wetenschappelijke en technologische problemen

Onderzoekende houding

3.6.1 De kleuters kennen de relatie tussen oorzaak en gevolg.

3.6.2 De kleuters kunnen aangeleerde woordenschat inzetten om te redeneren over een wetenschappelijke vraag.

Ontwerpend leren

3.6.3 De kleuters weten dat voorwerpen en materialen een functie hebben en ontworpen zijn om een probleem op te lossen.

Technologie: technische systemen hanteren

3.7.1 De kleuters kunnen leeftijdsadequate technische systemen correct en veilig gebruiken.

Wiskunde: plaatsbepaling

2.4.5 De kleuters kennen de volgende begrippen [F]:

  • (er)voor, (er)achter, (er)onder, (er)boven, (er)op, (er)naast;
  • ver, dichtbij, tegen, tegenover;
  • omhoog, naar boven, omlaag, naar beneden, vooruit, achteruit;
  • naar mij toe, van mij weg, dichterbij komen;
  • recht naar, schuin naar.
  • de voorkant, de achterkant, de zijkant, de onderkant, de bovenkant.

Wiskunde: meetkunde

2.4.10 De kleuters kennen de volgende begrippen [F]:

  • de voorkant, de achterkant, de zijkant, de onderkant, de bovenkant.

Wiskunde: logica en verzamelingen

2.4.17 De kleuters kennen de volgende begrippen [F]:

  • in, uit, binnen, buiten;
  • als … dan … ;
  • en, of, niet.

2.4.18 De kleuters kunnen objecten sorteren op basis van een gemeenschappelijke eigenschap volgens 1 of 2 criteria.

2.4.19 De kleuters kunnen als ... dan ... uitspraken gebruiken.

Wiskunde: probleemoplossend denken

2.6.1 De kleuters kunnen problemen in spel- en leersituaties oplossen gebruikmakend van wiskundige elementen, door:

  • op zoek te gaan naar manieren om een probleem op te lossen, ook als er meerdere oplossingen zijn;
  • concreet materiaal te gebruiken;
  • hun ideeën te delen met anderen.

2. Ontwikkelingsdoelen kleuter

Kerncomponenten van techniek

2.1 De kleuters kunnen van technische systemen die ze zelf vaak gebruiken, aangeven of ze gemaakt zijn van metaal, steen, hout, glas, papier, textiel of kunststof.

2.2 De kleuters kunnen van een eenvoudig technisch systeem uit hun omgeving aantonen dat verschillende onderdelen ervan in relatie staan tot elkaar in functie van een vooropgesteld doel.

2.3 De kleuters kunnen in een eenvoudige situatie nagaan welk technisch systeem best tegemoet komt aan een behoefte.

2.4 De kleuters kunnen ideeën bedenken voor een eenvoudig technisch systeem.

2.5 De kleuters kunnen geschikt materiaal en gereedschap kiezen voor het realiseren van een eenvoudig technisch systeem.

2.6 De kleuters kunnen een eenvoudig technisch systeem maken, al dan niet aan de hand van een stappenplan.

2.7 de kleuters kunnen nagaan of het doel werd bereikt met een zelfgemaakt technisch systeem.

2.8 De kleuters zijn bereid hygiënisch, veilig en zorgzaam te werken.

2.9 De kleuters tonen een experimentele en explorerende aanpak om meer te weten te komen over techniek.

2.10 De kleuters kunnen aangeven dat een technisch systeem dat ze gebruiken nuttig, gevaarlijk en/of schadelijk kan zijn.

Lichaamsbeweging: motorische concepties

1.18 De kleuters kunnen tijdens het bewegen rekening houden met plaatsaanduidingen.

1.30 De kleuters kunnen de functionele grepen gebruiken voor het hanteren van voorwerpen.

Wiskunde: ruimte

3.1 De kleuters kunnen handelend, in concrete situaties de begrippen "in, op, boven, onder, naast, voor, achter, eerste, laatste, tussen, schuin, op elkaar, ver weg, dicht bij, binnen, buiten, omhoog en omlaag" in hun juiste betekenis gebruiken. Zij kunnen pictogrammen in verband met "richtingen" als symbolen hanteren.

Nederlands: spreken

2.2 De kleuters kunnen spreken over ervaringen of gebeurtenissen uit de eigen omgeving of over wat ze van anderen vernamen.

2.4 De kleuters kunnen uitleggen hoe zij in een activiteit van plan zijn te werken of hoe zij werkten.

2.5 De kleuters kunnen beschrijven volgens kleur, vorm, grootte of specifieke eigenschap.

Methode

Probleem introduceren

We starten met een probleemstelling in het thema Sinterklaas.
Kies voor optimaliseren of ontwerpen.

Centrale probleemstelling optimaliseren:
- Piet wil een extraatje toevoegen aan een bestaand stuk speelgoed.
   Dit heet optimaliseren. (motor, lichtje, toetertje, …)

Centrale probleemstelling ontwerpen:
- Piet heeft het te donker op het dak en wil extra licht.

Extra mogelijkheden:
- Sint denkt aan het milieu en wil oud speelgoed repareren.
   Hij wil info van de kinderen hoe dit speelgoed werkt.
- Sint denkt aan het milieu.
   Hij wil een betere oplossing voor speelgoed met batterijen.
- Piet wil weten of hij logo’s op de verpakking moet zetten i.v.m. veiligheid.
- Sint vraagt zich af hoe al dit elektrisch speelgoed werkt.
  Hij wil informatie en vraagt een school om hulp.
- Sint vond enkele batterijen en weet niet welke hij nodig heeft.

De moeilijkheidsgraad van de probleemstelling is aanpasbaar aan het niveau van de groep.
Wat we nu al weten is dat de Sint achteraf een verslag zal moeten krijgen.

Klik op het filmpje en Piet vertelt over haar probleem.

Voorkennis mobiliseren

Aan de hand van enkele foto’s (zie: downloads) mogen de kinderen klassikaal vertellen. 
Als leraar kom je de voorkennis te weten en oefen je het vragen stellen.

Begeleidingsvragen:
- Wat zien jullie?
- Waar denken jullie aan? 
- Wat herkennen jullie?
- Waar zag je dit al?
- Weet je hoe het werkt?

De bedoeling is vooral om te weten te komen wat de voorkennis is van de kinderen en welke vragen ze hebben of welke zaken hen opvallen.

 

Het grote onderzoek

Maak voor elke groep een doos met materialen klaar of voorzie een klassikale onderzoekdoos en verdeel de materialen over enkele tafels. (zie: materialen)

Er zitten in de wetenschapsdoos:
- 'echte' elektrische materialen (geef geen zaken die niet stuk mogen)
   Voorbeelden: LED kaarsje, stopcontact, stuk snoer, ...
- onderzoeksmaterialen (kleine schroevendraaiers, vergrootglas, meters, ...)
- schakeldraden, lampje, motor, zoemer
- eventueel: foto’s om denkvragen te stimuleren.
- lampjes (LED met schakelaar, fietslampje, ...)

 

De kinderen onderzoeken de objecten in de doos aan de hand van onderstaande opdrachten.
Door in duo’s of kleine groepjes te werken wordt het taalgebruik en samen denken gestimuleerd. Vraag welke afspraken we kunnen maken: 
voorzichtig zijn, niet laten vallen (proberen) niet opzettelijk stukmaken, …

Opdracht 1: teken een voorwerp na of teken een ontdekking.

Opdracht 2: probeer iets te ‘ontdekken’ met het vergrootglas.

Opdracht 3: vertel elkaar wat je herkent en wat je weet.

Geef de kinderen enkele krokodillenklemmen om verbindingen te maken. 
Ze experimenteren hiermee, wie kan de LED of lamp laten branden? 
Wie kan de zoemer (toeter) geluid laten maken of de motor laten draaien?
Als het niet lukt kan een foto of schema aangeboden worden. 
Lukt het hiermee wel?

 

Let op: het enige wat hier echt kan fout gaan is als de plus en min pool van de batterij aan elkaar aangesloten worden. Hierop volgt een kortsluiting en dan wordt de batterij warm, daar kunnen ze even van schrikken. Controleer je zeker of de batterijen afgekoppeld zijn na de activiteit.

Besluiten vormen

Begeleidingsvragen:
- Wat hebben de kinderen voorlopig ontdekt? 
- Wat ontbreekt er?
- Wat werd er getekend?
- Wat heb jij gezien en wil je graag nog eens laten uitleggen?
- Welke kleuren werden opgemerkt?

Laat in de vertelkring tonen hoe een stroomkring gevormd werd.
Bespreek met de juiste woordenschat.

Enkele vaststellingen:
- Er zijn zwarte of rode draden, of er zijn altijd 2 draden.
- De batterijen moeten afwisselend in de houder.
- De klemmetjes moeten op de metalen kern van een draad aangesloten worden. (Als je ze op de isolatie zet kan er geen stroom vloeien)

Concept dramatiseren

Het dramatiseren van een concept zorgt ervoor dat het minder abstract wordt. 
We doen dit spelenderwijs op de speelplaats of in de turnzaal. 

Materialen:
- Touwen, enkele lampjes, hoepels, grime.
- Eventueel: kaartjes, hoedjes of armbandjes met plus en min op. 

Spel 1 – batterij opladen:
Leg een hoepel klaar. Deze is een “lege” batterij. 
De kinderen krijgen een “minnetje” op hun hand geschilderd. 
Één kind krijgt een “plus” op de hand geschilderd.
De plustikker moet de minnetjes tikken, die gaan dan in een hoepel staan.

Bespreek: Gaat het gemakkelijk? Nee, er zijn teveel minnetjes.
Hoe kunnen we de batterij sneller vol krijgen? Er moet extra plustikker bij!
Leg een tweede hoepel. Het spel wordt herhaald met twee tikkers.

Spel 2 – aantrekken: 
Leg een aantal hoepels klaar.
De helft van de groep krijgt een plus, de andere helft een min.
De kinderen gaan door elkaar lopen.
Als de leraar een signaal geeft, 
maken ze zo snel mogelijk duo’s en lopen ze naar een hoepel.
Bij een tweede fluitsignaal lopen de kinderen terug weg uit de hoepel.

Doelstelling: opmerken dat een plus en een min bij elkaar “horen” of elkaar “aantrekken”.


Spel 3 – stroomkring:
Leg enkele hoepels achter elkaar, dit is de batterij.
Plaats een kind in de zaal met een lampje.
De kinderen moeten touwen leggen van de hoepel naar de lamp
Daarna verbinden ze de lamp terug met de hoepel.
Alle kinderen gaan in de hoepels staan.
Ze stappen of lopen langs het touw naar de lamp en terug naar de batterij.
Dit doet denken aan een kleine (trage) of grote (snelle) stroom.
De lamp mag pas branden als er kinderen voorbij komen.

Reactie: Als de leraar een stuk touw wegneemt moeten de kinderen terugkeren.
               Het lampje moet dan ook doven.
Variatie: Er wordt een tweede of derde kind met lampje in de zaal geplaatst.
Variatie: Hoe kunnen we de touwen nog leggen, behalve in een cirkelvorm?

Doelstelling: een open en gesloten stroomkring ervaren.

Spel 4 – stroomkring bouwen:
Print de kaartjes (zie: downloads) uit en plastificeer ze. Geef de kinderen een tekening met daarop een stroomkring. Ze moeten deze bouwen en dramatiseren.
Conflict: Wat doen de kinderen als ze 2 batterijen hebben of een splitsing zien? Bespreek.

Doelstelling: ruimtelijk inzicht en symbolen.

Het ontwerp bedenken en testen

In de volgende stap maken de kinderen, afhankelijk van de originele probleemstelling, een technische realisatie die voldoet aan de behoefte van Sint en Piet. 

Kies eerst de criteria (samen met de kinderen). De kinderen maken gebruik van hun tijdens het onderzoek opgedane kennis. Bespreek materialen die gebruikt mogen worden. Vestig tijdens de activiteit aandacht op het verbinden. De wasknijper en de krokodillenklem maken gebruik van een veer om te klemmen.

Spreek af welke bevestigingsmaterialen je kan gebruiken:
Materialen: Bekers, flesjes, karton (mesjes), potjes, kurkjes, stokjes, ijslollystokjes, papier, stof …
Verbindingen: rekkers, plakband, wasknijpers, metaaldraad (+ tang) touw, chenille, …

Voorbeeld 1: een zaklamp voor piet
De kinderen maken met vindmaterialen een lamp waarmee Piet het dak kan verlichten.
Het criterium is dat de lamp ergens vast aan moet vastzitten. Zo heeft Piet zijn handen vrij.
Bij dagdagelijkse pietenbewegingen (stappen, springen, draaien, …) mag de lamp niet loskomen.
We denken aan een hoed, armband, beenband, …

Nadat het ontwerp gemaakt is kan dit eventueel in een verduisterde klas getest worden.
De kinderen leggen een pietenparcours af (hoepels, touwen, …) met een zak en stellen vast of hun uitvinding goed werkt of nog extra aandacht nodig heeft.

Voorbeeld 2: een auto met lichtjes
De kinderen voorzien de speelgoedwagen van een licht. 
Ze zullen goed moeten nadenken over de bevestigingen want alles moet goed vastzitten.
Je kan ook altijd een schakelaar introduceren als kinderen dit echt goed snappen.
Criteria hier zijn de auto moet licht geven, vlot kunnen rijden en alles moet vastzitten.

Nadat het ontwerp gemaakt is kan dit getest worden. 
Misschien bouwen de kinderen ook een schans waar de auto op gezet kan worden. 
Er kan ook stil gestaan worden bij de richting van het licht, deze stralen gaan recht voor zich uit.

Ontwerp testen

Nadat het ontwerp gemaakt werd kan het getest worden.
Voldoet het aan de criteria?

Reflecteren en evalueren

Begeleidingsvragen:
- Hoe gingen de kinderen te werk?
- Wat hebben ze over elektriciteit / stroom / batterijen geleerd?
- Hoe hebben ze iets vastgemaakt?
- Wat moet er aan de Sint verteld worden?

Dit kan op verschillende manieren: podcast, filmpje, … of misschien wel live met Sint? Een digitale ‘evaluatie’ van het onderzoek kan ook door kinderen opnieuw bekeken of beluisterd worden om daarna eventueel nog te optimaliseren.

DIGISTEM leerpad | DIGISTEM

Materialenlijst

Onderzoek:
- schroevendraaiers (klein kruis of plat)
- suikertjes, fietslicht, kerstlichtjes, zaklampen
- stopcontact, batterijen, schakelaar, paperclips
- meettoestellen, latten en meters, vergrootglas, tekenmateriaal
- snoeren (draad) met verschillende stekkers
- eventueel stuk geknipte snoeren van oude toestellen  (oud elektro)
- kapotte toestellen om open te schroeven, ijzerdraad

Aankopen (webwinkel) of vragen in hogere klassen:
- gloeilampjes 3,5 Volt
- krokodillenklemmen
- lamphouders fitting E10
- batterijhouders en batterijen (AA)
- eventueel: kleine elektromotor RF 300
- eventueel: zoemer
Tip: met een striptang kan je wat extra isolatie verwijderen.
Doe dit van het uiteinde van de motor, zoemer en batterijhouder. 
Zo kunnen de kleuters makkelijker de klemmen vastmaken.

 

Ontwerp:
- bekers
- flesjes
- karton (mesjes)
- potjes
- kurkjes
- stokjes
- ijslollystokjes
- papier
- stof
- rekkers
- plakband
- wasknijpers
- metaaldraad (+ tang) 
- touw
- pijpenragers 
- ...

Bewegingsactiviteit:
- touwen
- enkele lampjes (fietslichten)
- hoepels
- grime (zwart) + penseel
- Eventueel: kaartjes, hoedjes of armbandjes met plus en min op.