Kip op de wip

De lente is in aantocht en de kinderen vertellen over een bezoek aan de kinderboerderij.
Er zijn kuikentjes gebeuren en de directeur heeft kippen besteld en kocht een hok.
De kinderen zijn in blijde verwachting. Maar hoe bereiden we de komst van de kip voor?

Attributie: foto's en picto's www.flaticon.com en www.freepik.com

Context en probleemstelling

Er kan voor gekozen worden om ervaringen op te doen. Dit kan door een kinderboerderij te bezoeken, bij een kindje thuis op bezoek te gaan bij de kippen of kippenspullen mee te brengen naar de klas.

Wanneer dit niet mogelijk is omwille van tijd of organisatie, kan er ook een context aangeboden worden met filmpjes, foto’s, prentenboek of verhalen van de leraar. Binnen een STEM – project vinden wij het wel belangrijk om realistische foto’s te gebruiken naast het prentenboek. De focus ligt op het ontwerp van de technische systemen, het verhaal heet een eerder ondersteunende rol.

Wanneer met een prentenboek gewerkt wordt raden wij aan het boek enkele keren voor te lezen, vanuit verschillende invalshoeken. Een eerste keer kan er bijvoorbeeld bij het verhaal stilgestaan worden. Wat is de situatie? Wat is het probleem? Wat is de oplossing? Een tweede keer kunnen de gevoelens van de kip beklemtoond worden.
Een derde keer kan de nadruk bijvoorbeeld op de spullen gelegd worden. 
Dit helpt kinderen de diepere lagen van het verhaal te verkennen.

Een taalrijke STEM activiteit

De kinderen willen voor de kip een welkomstgeschenkje maken.
S: Hoe leeft de kip? Welke voeding heeft ze nodig?
T: Welk gereedschap en bevestigingstechnieken hebben we nodig?
     Welke handelingen zullen we moeten verrichten?
E: Wat zullen we maken? Welke materialen gebruiken we?
M: Hoe groot moet het geschenk zijn?

Om de woordenschat te  kiezen ga je als leraar zelf eerst op zoek.
Wij gebruikten voor deze activiteit de zoektermen ‘speelgoed kip’ of ‘kippenhok’ en ‘voeding kip’.
Daarna selecteerden we enkele begrippen die we de kinderen willen aanleren.
Er komen ongetwijfeld meer woorden aan bod maar we herhalen deze woorden vaak.
We hebben de intentie om ze vaak te gebruiken en richten een focus op deze woorden. 
Er kan een aparte woordenschat geformuleerd worden voor taalarme kinderen.
Denk er ook aan werkwoorden, hyperoniemen of spreekwoorden te introduceren.

De intentie voor het taalgebruik kan variëren.
Deze stellen we voor met het treinmodel.
Elk wagon symboliseert het stimuleren van taal met een andere intentie. We bekijken dit vanuit de STEM didactiek. We gaan aan de slag met taal en koppelen dit aan andere aspecten van het denken om een verhoogde activiteit in de hersenen te stimuleren.

1. Woordenschat
Je presenteert nieuwe, uitdagende woordenschat. De uitspraak van het woord wordt door de kinderen geoefend. Varieer de uitspraak om de focus van kinderen te bewaren. Overdrijven en enthousiasmeren hebben ook effect. In onze klaswerking introduceren wij een 8 à 10 woorden per project. Een goede vuistregel is dat deze dan ook minimaal evenveel keer door de leraar uitgesproken worden. De betekenis wordt aangeboden via een beleving door het kind zelf (primair) of context met foto’s of verhalen (secundair). Uiteraard proberen we binnen STEM en onderzoekend leren de primaire ervaring zeker aan te bieden.

2. Beschrijven
Je geeft een gedetailleerde beschrijving. Een goede methode is om een uitgesproken zin te herhalen en er woorden, zoals bijvoeglijke naamwoorden, aan toe te voegen. Dit is een vaardigheid die met kleuters geoefend kan worden. Het vervangen van woorden in de zin draagt ook bij tot een gevarieerde of bredere omschrijving. We denken hierbij aan het focussen op hyponiemen (onderliggend) en hyperoniemen (bovenliggend). Dit hoort bij het maken van mentale associaties. Hier krijg je ook de mogelijkheid om wiskunde bij de ervaring te betrekken: hoeveel, hoe groot, welke vorm, snelheid, … 

3. Ruimte
Je geeft een duidelijke omschrijving van waar iets zich afspeelt. Het gebruiken van voorzetsels is hier ook aan de orde. Er wordt een zekere afstand ervaren door bijvoorbeeld te omschrijven hoe de plaats bereikt wordt, hoe groot ze is, …

4. Tijd
De eerste manier om de tijd te introduceren is het variëren van werkwoorden en deze te vervoegen in de tegenwoordige tijd, het verleden of de toekomstige tijd. 
Het terugblikken op of vooruitblikken naar ervaringen stimuleert ook het koppelen van taal aan tijdsbesef.

5. Het ruime kader zien
Wat gebeurt kadert in een breder geheel. Eerst gebeurde iets en later zal er nog iets gebeuren. Er is een aanzet voor oorzaak en gevolg. Er is ook een emotionele factor of intentie, waarom gebeurt iets zus of zo? 
Onze actuele activiteit heeft een bedoeling of is functioneel.

6. Hogere orde denken
We gaan voorbij de directe ervaring of context en doen beroep op wat reeds geïnternaliseerd werd. Deze taal situeert zich op het niveau van de gedachten. Wat weten we al over iets en roepen we op via het geheugen? Ter info, zich iets herinneren is meteen ook een extra verankering van het reeds geleerde. 
- Wat zijn gelijkenissen met iets anders dat we kennen?
- Wat zijn verschillen met wat we al kennen?
- Wat is het perspectief van de andere?
- Welke problemen of successen voorspellen we?
- Waar zou ik dit nog kunnen toepassen?

Minimumdoelen kleuter

Wetenschap en techniek : eigenschappen van materie

3.4.1 De kleuters kunnen materie sorteren op basis van waarneembare eigenschappen.

Wetenschap en techniek: systematische en methodische benadering van wetenschappelijke en technologische problemen

Onderzoekende houding

3.6.1 De kleuters kennen de relatie tussen oorzaak en gevolg.

3.6.2 De kleuters kunnen aangeleerde woordenschat inzetten om te redeneren over een wetenschappelijke vraag.

Ontwerpend leren

3.6.3 De kleuters weten dat voorwerpen en materialen een functie hebben en ontworpen zijn om een probleem op te lossen.

Technologie: technische systemen hanteren

3.7.1 De kleuters kunnen leeftijdsadequate technische systemen correct en veilig gebruiken.

Leerondersteunende vaardigheden: veiligheid

9.3.2 De kleuters kunnen een aangewezen volwassene hulp vragen of aanspreken wanneer nodig.

Meten en metend rekenen: overkoepelende inzichten en vaardigheden

2.3.1 De kleuters kennen de volgende meetinzichten [I]:
          we meten geen objecten maar grootheden van objecten;

Meten en metend rekenen: lengte / oppervlakte en inhoud / volume

2.3.4 De kleuters kennen de volgende begrippen [F]:

  • (even) lang, kort, hoog, laag, ver, dichtbij, breed, smal, dik, dun, diep, groot, klein, (bijna) vol, (bijna) leeg, veel, weinig;
  • langer, korter, hoger, lager, verder, dichter, breder, smaller, dikker, dunner, dieper, groter, kleiner, leger, voller, meer, minder;
  • langste, kortste, hoogste, laagste, dikste, dunste, diepste, grootste, kleinste, meeste, minste.

2.3.5 De kleuters kunnen lengte, oppervlakte en inhoud/volume kwalitatief:

  • vergelijken;
  • (on)gelijk maken;
  • ordenen (seriëren);
  • samenstellen.

Wiskunde: plaatsbepaling

2.4.5 De kleuters kennen de volgende begrippen [F]:

  • (er)voor, (er)achter, (er)onder, (er)boven, (er)op, (er)naast;
  • ver, dichtbij, tegen, tegenover;
  • omhoog, naar boven, omlaag, naar beneden, vooruit, achteruit;
  • naar mij toe, van mij weg, dichterbij komen;
  • recht naar, schuin naar.

Wiskunde: logica en verzamelingen

2.4.18 De kleuters kunnen objecten sorteren op basis van een gemeenschappelijke eigenschap volgens 1 of 2 criteria.

2.4.19 De kleuters kunnen als ... dan ... uitspraken gebruiken.

Wiskunde: probleemoplossend denken

2.6.1 De kleuters kunnen problemen in spel- en leersituaties oplossen gebruikmakend van wiskundige elementen.

2. Minimumdoelen lager

Systematische en methodische benadering van wetenschappelijke en technologische problemen: ontwerpend leren

3.6.5 De leerlingen kennen ontwerpen als een manier om aan een behoefte te voldoen.

3.6.6 De leerlingen kunnen met concreet materiaal en gegeven criteria een ontwerp bedenken en uitvoeren om aan een behoefte te voldoen.

Technologie: Technische systemen hanteren

3.7.1 De leerlingen kennen de volgende begrippen: monteren, demonteren.

3.7.2 De leerlingen kennen basisgereedschap voor montage en demontage.

3.7.3 De leerlingen kunnen basisvaardigheden toepassen bij het monteren en demonteren van technische systemen.

Technische systemen beschrijven

3.7.4 De leerlingen kennen het volgende begrip: de onderdelen.

3.7.5 De leerlingen kunnen de werking van een technisch systeem beschrijven aan de hand van onderdelen en materialen.

3.7.6 De leerlingen kunnen verwoorden hoe vormgeving en design een rol spelen bij het gebruik van technische systemen.

Meten en metend rekenen: lengte / oppervlakte en inhoud / volume

2.3.2 De leerlingen kennen de noodzakelijkheid van standaardmaten voor het eenduidig uitvoeren en vergelijken van metingen [I].

2.3.4 De leerlingen kunnen meten en metend rekenen voor lengte, oppervlakte en inhoud, massa, geld, tijdstip en tijdsduur, temperatuur.

2.3.13 De leerlingen kennen de volgende maateenheden en hun wiskundige notaties [F]:

  • km, hm, dam, m, dm, cm, mm;

Methode

Probleem introduceren

Brainstorm even over de kinderen. 
Wat heeft de kip nodig volgens hun?
Hoe leeft een kip, wat heeft ze nodig?
Kom tot de conclusie dat er een onderzoek nodig is om het antwoord te vinden.
We nemen een kijkje naar bestaande geschenkjes voor de kip.

Centrale probleemstelling: 
"Wat heb ik nodig in het kippenren?"

De behoefte bepalen via vertelplaten

We kijken naar spullen die verkocht worden in de winkel, een videofragment of naar vertelplaten.
Er kan ook met een prentenboek gewerkt worden.
De insteek is het achterhalen van de behoefte, inschatten van haalbaarheid en het leggen van als / dan verbanden en relaties.

Begeleidingsvragen:
Wat zie je?
Wat herken je? 
Hoe heet het?
Welke kleur heeft dit?
Welke vorm herken je?
Wanneer heeft de kip dit nodig? 
Hoe lang duurt dat denk je?
Hoeveel tijd hebben we nodig om dit te maken denk je?
Hoe werkt het, denk je?
Waarom is het onderdeel zo gemaakt?
Hoe zou de kip dit gebruiken? Wat is de bedoeling?
Als … dan …
Hebben mensen, katten of honden dit ook nodig?
Waarop lijkt dit?
Hoe zou je het nog beter kunnen maken?
Hoe zou de kip zich voelen?
Waar moeten wij aan denken als wij iets maken?

Voorbeeld bij vertelplaat

Kleuter: ‘De kip eet voedsel
Leraar: ‘De kip pikt in het voedsel.’
                ‘Wat zou het voedsel zijn?’
Kleuter: ‘Het zijn brokjes.’
Leraar: ‘Het zijn graantjes, wat is graan?’
Kleuter: ‘Weet ik niet.’
- Leraar toont echt graan - 
Leraar: ‘Het voedsel is zaad van een plant.’
                 ‘Hoe ziet het eruit?’
Kleuter: ‘Het is klein en geel.’
Leraar: ‘De kip ruikt ook het graan in het bakje.’
                 ‘De kip pikt door de tralies.’
Kleuter: ‘Er is een kip die omhoog kijkt.’
Leraar: ‘Ik denk dat ze al gegeten heeft.’
                ‘Of misschien zal ze straks nog eten? Waarom zou er tralies zijn?’
Kleuter: ‘Om niet te morsen.’
Leraar: ‘Het voer kan moelijker uit het bakje.’
                ‘Hoe kan het nog vuil worden?’
Kleuter: ‘Als het omvalt als ze ertegen loopt.’
Leraar. ‘Als ze het tegen het bakje liep, dan kan dat inderdaad gebeuren.’ 
               ‘Heeft iemand thuis ook kippen? Is het voedsel dan ook in zo’n bakje?
Kleuter: ‘Bij ons is het bakje open.’
Leraar: ‘Er is geen tralies bij jou thuis.’
                 ‘Er zijn nog andere dieren die ook in het hok willen komen om te eten.’
                 ‘Welke dieren zouden dit zijn?’
Kleuter: ‘Vogels.’
Leraar: ‘Dat kan. Die kunnen ook het graan pikken. Maar er zijn ook roofdieren.’
Kleuter: ‘Zoals een tijger.’
Leraar: ‘Een tijger is een groot roofdier. Lopen deze in België vrij rond?’
Kleuter: ‘Nee in de zoo.’
Leraar: ‘Een vos kan wel het kippenhok binnen komen. Hoe, denk je? En waarom?’


 

Materialen verzamelen

Vraag naar het materiaal waaruit de spullen gemaakt zijn. Er zal materiaal verzameld moeten worden: takken, hout, touw, … er kan een affiche getekend worden of ouders kunnen gevraagd worden spullen aan te leveren.

Ideeën verzamelen en plan bedenken

Je kan deze stap al uitvoeren als het materiaal er nog niet is maar het kan ook een steun zijn voor de kinderen om het materiaal eerst te kunnen bekijken om zo tot ideetjes te komen. Zorg in dat geval dat het materiaal in de klas aanwezig is zodat ze het kunnen bekijken, vastnemen, meten, …

De kinderen denken na wat ze willen maken voor de schoolkip. 
Een knuffel van een kip of een uitgeknipte kip uit karton kan helpen om de grootte van het dier in te schatten. Stel de kinderen vragen om ze op weg te helpen. 
Willen de kinderen iets maken om het voedsel in te doen? 
Of willen ze een speeltoestel?
Misschien willen ze attributen maken voor het hok: een ladder of een stok.

Een voorbeeld voor criteria:
- Het is op maat van de kip gemaakt.
- Het speeltoestel / voederbakje / ... is stevig gemaakt.
- Er zijn geen splinters of uitstekende spijkers / schroeven
- Extra: waterdicht (bij drankbakje) of weersbestendig (bij verven bijvoorbeeld)

Hoogst waarschijnlijk zullen de kinderen ook een ‘hok’ willen maken.
Dit is een eerste associatie en best moeilijk. 
Probeer naar meerdere ideetjes te peilen.
- Kunnen we dit maken met de materialen die we verzamelden?
- Hebben we tijd of materialen genoeg?
- Wat heeft de kip het meeste nodig?

Benadruk ook dat het interessant is als kinderen
verschillende dingen maken.

Er kan een ontwerptekening gemaakt worden via de bijlage.

Afbeelding met vogel, tekst, hoendervogel, pluimvee

Door AI gegenereerde inhoud is mogelijk onjuist.

Het ontwerp uitvoeren

Voor praktische tips i.v.m. houtbewerking verwijzen we naar het praktijkvoorbeeld de gereedschapskoffer

Interactie en reflectie

Aan de hand van de werktekening of observaties ga je in dialoog met de kinderen.



1. Voorspellen: ik denk dat ik … nodig heb om …
2. Terugblikken: ik heb … gebruikt om …
3. Registratie: tijdens het klussen aanduiden om
                                extra focus te bekomen.

Begeleidingsvragen:
- Wat ben je aan het doen?
- Wat gebruik je hiervoor?
- Wat zal je daamree doen?
- Hoe maak je het vast?
- Waar staat dit op je tekening?
- Is dit groot genoeg voor de kip?
- Hoe kan je het steviger maken?
- Hoe zal dit werken?

Presenteren

De kinderen presenteren hun ontwerp.
Gebruik ook hier een rijke woordenschat of laat het uitbeelden met een pop van een kip.

Begeleidingsvragen:
- Hoe ging je te werk?
- Wat had je nodig?
- Hoe maakte je dit vast?
- Hoe ging dat?
- Hoe heeft iemand je geholpen?
- Wat moet de kip doen?

Begeleidingsvragen i.v.m. criteria:
- Is het groot genoeg?
- Is het stevig genoeg?
- Is het veilig genoeg?
- Hoe ben je dat zeker? 

Materialenlijst

Hoe kom je aan gereedschap?
Kijk op de materialenlijst welke materialen je best voorziet. Je kan ervoor kiezen kinderen gereedschap of handschoenen van thuis te laten meebrengen maar vaak zijn deze niet praktisch of onbruikbaar. Eventueel kan je een inzamelactie doen en zelf uitzoeken wat je wel of niet kan gebruiken. Goed werken doe je met goed gereedschap, op maat van de kinderen. Het goede nieuws is dat gereedschap lang meegaat en vaak een eenmalige investering is.

Materialen om te meten
Hoewel de kinderen dit misschien nog niet correct kunnen gebruiken kunnen deze materialen het ‘doen alsof’ en de interesse stimuleren. We denken aan latten, hoeklatten, waterpas, …

Hoe kom je aan hout?
- Vragen in de doe – het – zelf zaak. 
- Zoekertjes op internet.
- Vragen aan kinderen of hun ouders stukjes hout mee te brengen.
- Een pallet van een schoollevering kan ook wonderen doen.
- Een pak panlatten kopen is ook een goed idee: ze zijn goedkoop, dun en snel door te zagen.

Woordenschat
Baken de woordenschat af die je zal gebruiken. 
Zorg dat je zelf op de hoogte bent van de juiste benamingen.
Bij de downloads vind je een conceptmap met woordenschat en picto’s.

Je kan ervoor kiezen materialen aan te kopen of in te zamelen via de ouders.
Probeer gereedschap dat van een inzameling komt kritisch te bekijken.
Het moet nog veilig zijn en op maat van de kinderen.

Gereedschap leerkracht
handgereedschap leerkracht

 

 

 


Tip: een metaalboor werkt ook en gaat minder snel stuk. Deze heeft een driehoekige punt.

Gereedschap kleuters of kinderen 

Per groepje van 4 kinderen te voorzien, gereedschap

handgereedschap leerling
 


Zagen: de zaagbeugels zijn meestal van een ijzerzaagje voorzien. Vervang dit door een houtzaag.
Het verschil is dat houtzaagjes grovere tanden hebben. Meestal kan je de zaag losmaken door het handvat naar links te draaien. 

Schroeven: koop een schroevendraaier die past op de schroeven. (kruis is beter dan plat)

Bevestigingsmaterialen

spijker en schroeven