In dit STEAM – project vormt kunst het vertrekpunt van een onderzoek en ontwerp. De kinderen ontwikkelen zelf een eigen sculptuur nadat ze onderzocht hebben hoe milieuvriendelijke verf en houtverbindingen gemaakt worden.
Attributie: foto's en picto's www.flaticon.com en www.freepik.com
Stembasisnet heeft toestemming voor het publiceren van de kunstwerken.
Meer info? https://www.klaasvanderperren.be/nl/klaas
Context en probleemstelling
Klaas Vanderperren is een kunstenaar uit Leuven die kiest voor vrolijke, speelse kunst met een kinderlijke toets. Elk werk krijgt van hem een doordachte titel. Zijn inspiratie haalt hij uit de COBRA-beweging, een groep kunstenaars die geloofde in artistieke vrijheid. Volgens hen moest kunst voor en door iedereen gemaakt kunnen worden – ook zonder academische opleiding.
Ze lieten zich leiden door hun gevoel, de materialen en de natuur. Met dit praktijkvoorbeeld proberen we elke van deze drie dimensies invulling te geven.
Toon de kinderen enkele foto’s van houten sculpturen, door Klaas gemaakt.
Je vindt deze hier: https://klaasvanderperren.be/nl/sculpt of bij de downloads.
Let op: foto's enkel voor gebruik op school, niet verspreiden zonder toestemming kunstenaar.

Stel een aantal begeleidingsvragen om de kinderen te prikkelen voor deze STEAM – activiteit.
- Wat stelt dit voor, denk je?
- Wat zou de titel van dit werk zijn?
- Welke titel zou jij hieraan geven en waarom?
- Welke titel koos Klaas, waarom denk je?
- Waarom zouden mensen dit kunst vinden?
- Waarom zijn er bepaalde kleuren gebruikt?
- Welke beeld zou hij eerst gemaakt hebben en welke laatst?
Daarna kan je enkele vragen stellen om de nadruk op techniek te leggen:
- Hoe zou Klaas dit gemaakt hebben?
- Heb je zelf al eens iets gelijkaardigs gemaakt?
- Wat moet deze kunstenaar allemaal kunnen?
- Welke zaken heb je zeker nodig?
Laat de kinderen even in groepjes overleggen.
Vraag hen het meest interessantste deel van hun antwoord samen te vatten.
Hiermee leer je ze hun aandacht te richten op dat wat er het meeste toe doet.
Een andere werkvorm is om zoveel mogelijk informatie uit de voorkennis te verzamelen.
Je kan dan bijvoorbeeld de vragen stellen en een conceptmap laten maken.
Minimumdoelen lager
Wetenschappen en techniek, vierde en zesde leerjaar lager onderwijs.
Wetenschapen, eigenschappen van materie:
3.4.1 De leerlingen kennen de volgende begrippen:
- de massadichtheid;
- de deeltjes;
- de zuivere stof, de verbinding.
3.4.2 De leerlingen weten dat alle materie uit deeltjes bestaat.
3.4.4 De leerlingen kunnen materie onderzoeken en vergelijken op basis van hun eigenschappen.
Wetenschappen, natuurkundige verschijnselen
3.5.7 De leerlingen kunnen natuurkundige verschijnselen onderzoeken
met behulp van de onderzoekcyclus.
Systematische en methodische benadering van wetenschappelijke & technologische problemen
onderzoekende houding
3.6.1 De leerlingen kennen de volgende begrippen: de onderzoekcyclus, eerlijk onderzoeken, verkennen, onderzoek opzetten, onderzoek uitvoeren, concluderen, presenteren.
3.6.2 De leerlingen kennen de onderzoekcyclus als een gestructureerde aanpak met de volgende fasen: verkennen, onderzoek opzetten, onderzoek uitvoeren, concluderen, presenteren.
3.6.3 De leerlingen kunnen een onderzoek opzetten met behulp van de onderzoekcyclus.
3.6.4 De leerlingen kunnen de volgende basisprincipes van eerlijk onderzoek toepassen: gecontroleerde omstandigheden, reproduceerbaarheid.
ontwerpend leren
3.6.5 De leerlingen kennen de volgende begrippen: ontwerpen, optimaliseren, de ontwerpcyclus, verkennen, ideeën verzinnen en selecteren, het ontwerp plannen, het ontwerp realiseren, testen en optimaliseren, presenteren.
3.6.6 De leerlingen kennen de ontwerpcyclus als een gestructureerde aanpak met de volgende fasen: verkennen, ideeën verzinnen en selecteren, ontwerp plannen, ontwerp realiseren, testen en optimaliseren, presenteren.
3.6.7 De leerlingen kennen het belang van het formuleren van criteria om aan een behoefte te voldoen.
3.6.8 De leerlingen kunnen ontwerpen met behulp van de ontwerpcyclus.
Technologie: hoe mens, wetenschap en technologie elkaar beïnvloeden
3.7.2 De leerlingen kunnen uitdrukken dat gevolgen van wetenschappen en technologie op zichzelf, anderen, het milieu en de maatschappij, zowel op korte als op lange termijn, positief, negatief of onzeker kunnen zijn.
Technologie: technische systemen hanteren
3.7.1 De leerlingen kennen de volgende begrippen: monteren, demonteren.
3.7.2 De leerlingen kennen basisgereedschap voor montage en demontage.
3.7.3 De leerlingen kunnen basisvaardigheden toepassen bij het monteren en demonteren van technische systemen.
Technologie: technische systemen beschrijven
3.7.4 De leerlingen kennen het volgende begrip: de onderdelen.
3.7.5 De leerlingen kunnen de werking van een technisch systeem beschrijven aan de hand van onderdelen en materialen.
3.7.6 De leerlingen kunnen verwoorden hoe vormgeving en design een rol spelen bij het gebruik van technische systemen.
3.7.7 De leerlingen kennen de volgende begrippen: het tandwiel, de riem, de ketting, de hefboom, de katrol, het technische systeem, de vormgeving, het design.
3.7.9 De leerlingen kennen de werking van technische systemen op basis van kennis over natuurkundige verschijnselen.
3.7.10 De leerlingen kunnen de werking, de bouw en de materiaalkeuze van technische systemen analyseren en beschrijven.
Meetkunde en metend rekenen: lengte, oppervlakte, inhoud / volume
2.3.15 De leerlingen kunnen een geschikt meetinstrument voor lengte, oppervlakte en inhoud kiezen en een lengte tot op 1 mm nauwkeurig meten en tekenen.
Meetkunde: vormleer
2.4.4 De leerling kan meetkundige objecten classificeren met behulp van verzamelingen volgens toenemend of afnemend aantal eigenschappen voor de driehoeken, vierhoeken, veelhoeken, vlakke figuren en de ruimtefiguren en kan hierbij de woorden en, of en niet gebruiken.
Meetkunde: meetkundige relaties
2.4.17 De leerling kent symmetrie als een spiegeling die een figuur op zichzelf afbeeldt [I].
2.4.18 De leerling kent de volgende begrippen [F]:
- congruent, gelijkvormig;
- de (a)symmetrie, (a)symmetrisch, de symmetrieas.
Methode
Voorkennis en bronnenonderzoek
Het is ongetwijfeld opgevallen dat Klaas felle kleuren en pasteltinten gebruikt.
Je kan als kunstenaar verf kopen maar ook zelf maken.
Vraag de kinderen of ze weten hoe verf gemaakt wordt.
- Hoeveel kleuren heb je minstens nodig om te combineren?
- Hoe maak je een pastelkleur?
- Hoe wordt verf gemaakt?
- Wat gebeurt er als de verf open blijft staan?
- Welke soorten verf bestaan er allemaal?
- Wat is het verschil?
- Hoe komt verf aan de juiste kleur?
- Wanneer werd verf uitgevonden?
- Hoe werd verf toen gemaakt?
Bij het laatste antwoord kom je tot de vaststelling dat er natuurlijke materialen gebruikt worden.
Eerst werden eenvoudige mengsels gebruikt om verf te maken.
Door wetenschappelijk onderzoek (hoe stoffen met elkaar reageren) en nieuwe technieken is de verf uit onze tijd enorm geëvolueerd. Maar is die verf ook wel nog milieuvriendelijk?
De onderzoeksvraag verschijnt: “Hoe wordt (milieuvriendelijke) verf gemaakt?”
Vertel de kinderen dat ze zelf verf zullen maken.
We kiezen er uiteraard voor niet een hele hoop ingrediënten bij elkaar te gooien, in de hoop een werkbaar product te krijgen. Het is belangrijk om je eerst te informeren.
Dit kan via onderstaande methode met informatieve teksten maar je kan dit uiteraard ook anders doen. Misschien is er een schilder in de familie of kan je een filmpje kijken op schooltv?
Tip begrijpend lezen:
Je kan de labels van de schoolverf fotograferen en wat groter afdrukken.
Wat staat er eigenlijk op de etiketten?
Eventueel kunnen onbekende begrippen opgezocht worden via de computer.
Dit brengt ons alweer een stapje dichter bij het oplossen van onze onderzoeksvraag.
Daten met verf
Geef elk kind een leestekst over hun verf.
Nadat ze deze gelezen hebben proberen ze op de vragen te antwoorden.
Daarna zoeken ze een kind met een andere verfsoort.
Ze stellen hun verf voor aan de anderen zoals op een echte date.
- Uit welke drie (grond) stoffen is de verf gemaakt?
- Wat zijn de eigenschappen van de verf?
- Wat zijn de voordelen?
Wat zijn de nadelen?
Concept en begrippen afbakenen
De kinderen weten na het lezen van de teksten dat een verf bestaat uit drie stoffen.

1. Een vaste stof (het pigment) om de kleur te maken
2. Een vloeistof om de stoffen te binden
3. Een vloeistof die na het uitsmeren verdampt
Dit zijn drie wetenschappelijke concepten die verder onderzocht kunnen worden.
Het bindmiddel leggen we nog even uit, dit heeft twee functies.
Eerst zal het bindmiddel watermoleculen opvangen zodat de verf dikker wordt.
We spreken van de viscositeit of vloeibaarheid van de verf.
Nadien fungeert het bindmiddel als een soort lijm. Als de vloeistof opgedroogd is zorgt het bindmiddel ervoor dat het pigment blijft plakken. Stel je voor: verf bestaat uit kleine kleurstofdeeltjes (het pigment) die los in het water zweven. Als je geen bindmiddel zou hebben, dan zou de kleur niet blijven zitten op je papier. Het zou opdrogen, maar als je er dan met je hand overheen veegt,
zou het er meteen afpoederen of wegwaaien.
We geven ter illustratie enkele passende pictogrammen uit ons beeldwoordenboek.

Onderzoek opzetten
De meeste beeldjes die Klaas maakte zijn uit hout vervaardigd. Vraag de kinderen welke verf volgens de leestekst het beste geschikt is hiervoor: plakkaatverf (binnen) of acrylverf (buiten) in bonte kleuren.
De eigenschappen van deze verf zijn dat ze vrij snel droogt en goed dekkend is.
Voorbeelden van bindmiddel zijn: bloem, maïszetmeel of aardappelzetmeel.
Het zetmeel zorgt voor het oplossen van de vloeistof en dikker maken van de vloeistof.
Bij het toevoegen van koud water nemen de zetmeelkorrels de vloeistof op en krijg je een mengsel.
Wanneer je warm water toevoegt, zwellen de zetmeelkorrels op en barsten open.
Dan komt er zetmeel vrij dat het mengsel dik en plakkerig maakt.
Let op, bij heet (kokend) water krijg je eerder papperige, plakkende lijm.
De eerste deelvraag luidt: “Hoe kan ik verf dikker maken?”
Geef het recept voor de verf aan kinderen, dit vind je bij de downloads.
Vraag welke variabele er veranderd kan worden om dikkere verf te krijgen.

Opmerkzame kinderen zullen waarschijnlijk vragen waarom er zout bij de verf moet.
Als je met natuurlijke producten werkt, is er meer kans op voedselbederf.
Schimmels en bacteriën hebben vocht nodig.
Door zout toe te voegen wordt hun groei fors belemmerd!
Dit verklaart meteen ook al waarom kunstmatige verf populairder is.
Ook leuk om even op te zoeken: waar komt keukenzout eigenlijk vandaan?
De tweede deelvraag is: “Hoe krijg ik de gewenste kleur?”
Je mag slechts één variabele veranderen bij elk onderzoek.
Vraag de kinderen wat zij willen onderzoeken.
Zoek of verzamel de nodige ingrediënten en materialen om het onderzoek uit te voeren.
Het soort bindmiddel veranderen:
Bloem, maïszetmeel, aardappelzetmeel.
Het soort kleurstof: krijt, voedingskleurstof, geplette bessen, kruidenpoeder, aarde, ...
De kleurstof kan een vaste stof of vloeistof zijn, wat gevolgen heeft voor het mengsel.
De hoeveelheid van één ingrediënt veranderen: het pigment, zout, bindmiddel of water.
Leg vooraf de criteria op waar de verf aan moet voldoen.
Je kan werken met het sjabloon in de bijlage of nog beter, zelf een tabel maken.
Hiermee kan je de data achteraf noteren.
Nog enkele alternatieve of extra onderzoekjes hierbij zijn:
- Eerst het warme water toevoegen en dan extra bloem of koud water toevoegen.
- Onderzoeken hoe de verf sneller kan gedroogd worden.
- Proberen om textuur toe te voegen aan verf door bijvoorbeeld zand, koffiegruis, houtskool,
of zaagsel toe te voegen. Glitters zijn niet zo’n goed idee, dit zijn microplastics.
Kies een passende groeperingsvorm en het maximaal aantal onderzoekjes.
Je kan bijvoorbeeld in duo’s of groepjes werken en elk groepje drie onderzoekjes laten doen.
Je kan ook klassikaal werken met hetzelfde recept en elk groepje één iets laten veranderen.
Onderzoek uitvoeren
Laat de leerlingen de hoeveelheden noteren die ze gebruiken bij hun onderzoek.
Zo kan je het mengsel later opnieuw maken, dit heet reproduceren.
Als leerkracht stel je begeleidingsvragen waarin je de juiste woordenschat gebruikt.
Zo ben je wetenschappelijk redeneren aan het modelleren voor je leerlingen.
- Wat denk je dat er gebeuren zal, wat is je hypothese? (als … dan …)
- Welk effect zal dit hebben op het resultaat, denk je?
- Welke stof zal je vervangen en waarom?
- Wat stel je vast? Wat is het gevolg?
- Hoe wijkt dit af van je voorspelling?
- Welke conclusie kan je hieruit trekken?
Het belangrijkste is dat de leerlingen weten wat de bedoeling is. Hier kan je een tussentijds leermoment en evaluatiemoment voorzien. Laat hen verwoorden wat de stappen van het wetenschappelijk onderzoek zijn en wat deze betekenen. Hier vind je een overzicht:

Verf maken volgens criteria
We beslissen de criteria (voorwaarden) waar de verf aan moet voldoen.
We geven hier enkele voorbeelden.

Nadat de mengsels gemaakt zijn kan je de verf kwalitatief beoordelen.
Je smeert de verf (na enkele dagen) op een stukje hout om deze te testen.
De derde deelvraag is: “Hoe snel voelt mijn verf droog aan?”
De vierde deelvraag is: “Welk effect heeft het aanbrengen van meerdere laagjes?”
Hier zijn mogelijkheden voor een vervolgonderzoek:
- Wat als je na het drogen een tweede laagje aanbrengt, dekt de verf dan beter?
- Is de droogtijd anders op verschillende materialen: papier, karton, hout, steen, …
- Is de verf bestand tegen regen? Kan ik mijn beeld buiten zetten?
Alles onderzoeken kan teveel tijd in beslag nemen. Het is belangrijk met de leerlingen af te bakenen.
- Maak je de verf om verder te gaan met dit project en houten beeldjes te maken?
- Gebruik je de verf met een ander doeleind?
- Misschien ligt je focus bij het maken van specifieke kleuren?
Ideeën verzamelen via beschouwen
Het tweede deel van dit STEM – project bestaat eruit zelf een sculptuur te maken. Neem eventueel terug de foto’s met de sculpturen van Klaas erbij. We bespreken de bouw van deze figuren:
- Hoe benadrukt de kunstenaar een accent?
- Waarom zou dit onderdeel van het beeld benadrukt worden?
- Hoe zijn de ledematen vastgemaakt?
- Hoeveel ledematen tel je?
- Hoe zorgt de kunstenaar ervoor dat deze niet omvallen?
We hebben ook oog voor de integratie van wiskunde:
- Hoe groot zouden de sculpturen zijn?
- Zijn de beelden symmetrisch of asymmetrisch opgebouwd?
- Welke ruimtefiguren herkennen we?
- Uit hoeveel onderdelen bestaan de beelden?
Techniek verkennen
De volgende stap is het verzamelen van materialen om verbindingen te maken. Je kan de kinderen even de tijd om een mindmap op te bouwen in duo’s ofwel kan je dit klassikaal aan het bord doen.
Welke soorten verbindingen kennen de kinderen? Je kan enkele richtvragen stellen:
- Kijk eens op je heen, hoe zijn zaken vastgemaakt?
- Denk aan de meubels thuis, hoe zijn deze in elkaar gezet?
- Soms zie je niet hoe een voorwerp vastzit, hoe zou komen?
- Hoe maak je bewegende delen vast?
- Welke permanente verbindingen ken je, zaken die niet meer los kunnen?
- Ken je verbindingen die tijdelijk zijn, of (snel) lost en vast moeten kunnen?
Laat daarna de verbindingen inkleuren die gebruikt kunnen worden om hout vast te maken.

Daarna deel je per duo een kaartenset uit (zie downloads) met mogelijke verbindingswijzen.
De kinderen zoeken bij elke foto een passende tekst. Aan welke verbindingen hadden ze zelf gedacht en welke kenden ze nog niet? Welke zijn toepasbaar in de klas? Welke gebruikte Klaas?
Daarna kan je de spullen verzamelen die nodig zijn om deze verbindingen toe te passen.
Let op, deze lijst is ter inspiratie. Er bestaan nog tal van andere manieren.
Voorbeeldverbindingen:
- wikkelen
- schroeven
- spijkers
- bout en moer
- houtlijm
- deuvels
- klemmen
- haak - en oogschroef
Criteria bepalen voor de sculptuur
adat er tijd gemaakt werd voor de verkenning ga je over tot het bepalen van de criteria om een eigen ontwerp (per duo) te maken. Spreek over de vormgeving van het design (ontwerp).
Je kan er ook voor kiezen een aantak criteria als minimum vast te leggen en talentvolle leerlingen uit te dagen nog meer criteria toe te voegen.



Ontwerp realiseren
Een volgende stap is het tekenen van het ontwerp. Als je de afspraak maakt dat het sculptuur niet groter dan de afmetingen van een A4 blad mag zijn kan het volstaan om de tekening op ware grootte te tekenen. We geven extra mogelijkheden om de link met wiskunde te leggen in de laatste paragraaf.

Verzamel daarna het juiste hout, bevestigingsmaterialen en andere nodige materialen.
Grote, logge dikke stukken hout of planken heb je niet nodig. Vraag kinderen kleine stukjes hout mee te brengen en voorzie zelf enkele pannenlatjes.
Tijdens het bouwen stel je denk – en doe vragen om te begeleiden:
- Wat ben je aan het doen?
- Waarom koos je ervoor om dit zo te doen?
- Hoe zorg je ervoor dat het stevig is?
- Hoe kan je dit eventueel anders doen?
- Aan welk criterium denk je hierbij?
Nadat de sculpturen gebouwd zijn kan de zelfgemaakte verf gebruikt worden om de sculpturen te schilderen. Een laagje vernis kan ervoor zorgen dat het beeld ook tegen regen bestand is of de natuurlijke kleurstof niet gaat schimmelen. Door het vernis wordt de lucht afgesloten van de verf.
Denk eraan de tafels te beschermen tegen te diep geboorde gaten met werkplankjes. Het zagen van hout kan best wel moeilijk zijn voor sommige kinderen. Het werkstuk moet goed vastgeklemd worden.
De zaag moet je mooi recht houden in een hoek van 90°.

Je kan de kinderen ook vragen om met een lat rechte lijnen te tekenen. Deze kan je dan samen of zelf als leerkracht met de wipzaag afzagen. Het stuk wat niet meer nodig is krijgt een kruisje.
Eventueel kunnen (groot) ouders ingeschakeld worden.
Let er wel op dat deze dan een ondersteunende rol innemen.
Een werkstuk aftekenen voor een ander is ook het trainen van een procedure. De andere moet duidelijk weten wat er van hem of haar verwacht wordt.
Presenteren en communiceren
Wanneer het werkstuk af zijn er verschillende mogelijkheden om de wekstukken te presenteren.
Er kan bijvoorbeeld een museum opgesteld worden waarbij de kinderen de naam van hun beeld bekend maken en daarbij een korte informatieve tekst schrijven waarbij ze aangeven waarom hun werkstuk aan de criteria voldoet.
Er kan ook een catalogus gemaakt worden waarbij de kinderen een tekst schrijven waarbij ze een technische fiche maken waarbij ze hun werkwijze omschrijven. Je kan ter inspiratie een kijkje nemen op de site van een kunstgalerij: hoe stellen zij hun werken ten toon?
- Titel
- Omschrijving van de gebruikt technieken
- Omschrijving van het gebruikte gereedschap
- Uitleg van het opvallend accent
- Verantwoording van het kleurengebruik
- …
Extra inspiratie: een duidelijke werktekening
Je kan ook een werktekening maken van het kunstwerk. Bespreek wat hier zeker op moet komen. Als kinderen dit nog niet vaak gedaan hebben kan het ook leerzaam zijn deze werktekening (op schaal) achteraf te maken. De focus is dan niet het ontwerpen maar het duidelijk communiceren en wiskundig analyseren.

Je kan deze begeleidingsvragen stellen:
- Wordt de essentiële informatie gegeven?
- Worden onnodige details achterwege gelaten?
- Is de werktekening duidelijk?
- Worden alle maten genoteerd?
- Worden de kleuren aangeduid?
Ook de bespreking achteraf is erg leerrijk, is het gelukt het werk te maken?
- Was de werktekening volledig?
- Indien ze niet volledig was, wat ontbrak?
- Waar zijn afwijkingen?
- Wat werd anders dan voorzien gedaan en waarom?
Tip: Deze sculpturen lenen zich ook uitstekend voor lessen oppervlakteberekening.
Hoeveel cm2 moet ik schilderen?
Materialenlijst
Hoe kom je aan gereedschap?
Kijk op de materialenlijst welke materialen je best voorziet. Je kan ervoor kiezen kinderen gereedschap of handschoenen van thuis te laten meebrengen maar vaak zijn deze niet praktisch of onbruikbaar. Eventueel kan je een inzamelactie doen en zelf uitzoeken wat je wel of niet kan gebruiken. Goed werken doe je met goed gereedschap, op maat van de kinderen. Het goede nieuws is dat gereedschap lang meegaat en vaak een eenmalige investering is.
Materialen om te meten
Hoewel de kinderen dit misschien nog niet correct kunnen gebruiken kunnen deze materialen het ‘doen alsof’ en de interesse stimuleren. We denken aan latten, hoeklatten, waterpas, …
Hoe kom je aan hout?
- Vragen in de doe – het – zelf zaak.
- Zoekertjes op internet.
- Vragen aan kinderen of hun ouders stukjes hout mee te brengen.
- Een pallet van een schoollevering kan ook wonderen doen.
- Een pak panlatten kopen is ook een goed idee: ze zijn goedkoop, dun en snel door te zagen.
Woordenschat
Baken de woordenschat af die je zal gebruiken.
Zorg dat je zelf op de hoogte bent van de juiste benamingen.
Bij de downloads vind je een conceptmap met woordenschat en picto’s.
Je kan ervoor kiezen materialen aan te kopen of in te zamelen via de ouders.
Probeer gereedschap dat van een inzameling komt kritisch te bekijken.
Het moet nog veilig zijn en op maat van de kinderen.
Gereedschap leerkracht

Tip: een metaalboor werkt ook en gaat minder snel stuk. Deze heeft een driehoekige punt. De kleinere boor (4mm) kan je gebruiken om voor te boren zodat je schroeven kan indraaien. De grote boor (4mm) maakt een gat om een pen in te duwen of een moer door te duwen.
Gereedschap kleuters of kinderen
Mogelijk te gebruiken gereedschap:
Zagen: de zaagbeugels zijn meestal van een ijzerzaagje voorzien. Vervang dit door een houtzaag.
Het verschil is dat houtzaagjes grovere tanden hebben. Meestal kan je de zaag losmaken door het handvat naar links te draaien.
Schroeven: koop een schroevendraaier die past op de schroeven. (kruis is beter dan plat)
Bevestigingsmaterialen

Andere mogelijke bevestigingen:
- touw
- elastieken
- plakband
- oogschroeven en haakschroeven
- ijzerdraad
- ...